HOME INLEIDING OPDRACHT VERWERKING BRONNEN AFSLUITING DOCENT
 

De marrons


De vlucht van slaven
Het werk dat de slaven op de plantages moesten verrichten was uitputtend en langdurig. Bovendien werden de slaven en slavinnen voor de meest kleine vergrijpen met zwepen geslagen, soms tot de dood erop volgde. Dit was voor veel slaven reden om een vluchtpoging te ondernemen. Weggelopen slaven werden 'marrons' genoemd. Deze term is afgeleid van het Spaanse woord 'címarron', weermee ontsnapt vee werd aangeduid.


Een marron die leeft aan de rivier.

Al in de tijd van de Engelse kolonisatie waren er in Suriname marrons. De meeste marrons waren alleen of in kleine groepjes van de plantages weggelopen. Naar schatting nam in de achttiende eeuw ruim tien procent van alle slaven de vlucht. Slaven die voorgoed weg wilden, moesten ervoor zorgen dat ze ver van de plantages wegtrokken. In Suriname waren daarvoor twee mogelijkheden.

  1. De veiligste manier was om de rivieren naar het zuiden te volgen. Na het passeren van stroomversnellingen waren de marrons vaak veilig. Veel marrons vluchtten zo ver naar het zuiden dat het voor de plantage eigenaren onmogelijk was de achtervolging vol te houden. Een groot nadeel van de vlucht naar het zuiden was dat de marrons steeds verder verwijderd raakten van de plantages. Om te overleven hadden de marrons namelijk contact nodig met de plantages, waar ze vrouwen, voedsel, wapens en zaaigoed stalen.
  2. De tweede optie was het vluchten naar de moerassige streken achter de kust. Hoewel dit gebied tijdens de regentijden vrijwel ontoegankelijk was, was het gebied beperkt van omvang en kon het worden uitgekamd door militaire expedities. Voordeel was wel weer dat vanwege de kleine afstand de plantages makkelijker geplunderd konden worden.


Een opstandige marron op oorlogspad

Het ontstaan van marrondorpen
In de loop van de tijd sloten groepjes marrons zich aaneen, bouwden hutten en legden landbouwgrondjes aan. De eerste marrondorpen ontstonden in het gebied tussen de Surinamerivier en de Saramacca. Onder de marrons waren mannen ver in de meerderheid. Marrondorpen hadden dus altijd gebrek aan vrouwen. Ook naar voedsel, geweren, kogels, buskruit, kapmessen, zaai- en pootgoed was men altijd op zoek. Zowel voor vrouwen als voor de schaarse producten waren de marrons aangewezen op de plantages. Het gevolg waren voortdurende aanvallen op plantages, waarbij heel veel blanken werden gedood en plantages in vlammen op gingen. Bij de aanvallen werden vrouw- en kinderslaven ontvoerd en werden wapens en producten gestolen.

Maatregelen tegen de marronage
Voor de kolonie Suriname vormden de marrons een groot probleem. De koloniale overheid probeerde dan ook het weglopen van slaven, ook wel marronage genoemd, de kop in te drukken. Het bestuur van de kolonie nam hiervoor drie maatregelen:

  1. Mensen die gevluchte slaven opspoorden en terugbrachten werden beloond.
  2. Slaven die weggelopen en gepakt waren moesten strenge straffen ondergaan, zoals het opgehangen worden met een ijzeren haak door de ribben. Deze zware straffen moesten slaven die van plan waren weg te vluchten afschrikken.
  3. Er werden militaire expedities ('bospatrouilles') georganiseerd om de marrondorpen te verwoesten en gevonden marrons gevangen te nemen of te doden.


    Tegen het weglopen van slaven werd zwaar gestraft.
    Op deze afbeelding van Stedman is iemand aan zijn ribben opgehangen en wacht zo in hevige pijn af totdat hij sterft.

1760-1767: vrede met de marrons
Deze maatregelen hadden weinig effect. Hoewel er veel militaire expedities zijn geweest hadden deze niet het gewenste resultaat. Wanneer een bospatrouille een dorp gevonden had, waren de marrons meestal al gevlucht en hadden ze snel nieuwe dorpen gebouwd. Bovendien kostten de bospatrouilles veel geld. Daardoor kwam het bestuur van de kolonie langzaam tot het besef dat vrede sluiten met de marrons de beste oplossing was. Tussen 1760 en 1767 werd er officieel vrede gesloten met de belangrijkste marrongroepen. Er werd onder andere afgesproken dat de marrons jaarlijks de benodigde artikelen van de koloniale overheid zouden ontvangen. Hierdoor zouden ze geen plantages meer hoeven te plunderen. In ruil daarvoor werden de vredige marrons nu verplicht om gevluchte slaven uit te leveren aan het koloniale bestuur.

Om onderscheid te maken tussen de marrongemeenschappen waar de Nederlanders vrede mee hadden gesloten, noemden de kolonisten die ex-slaven 'bosnegers', de andere groep bleef marron heten en werd nog steeds als vijand gezien.

1760-1800: de Boni-oorlog
Met de vredesverdragen had het bestuur van Suriname een einde willen maken aan het weglopen van slaven en de overvallen op de plantages. Dit lukte echter maar voor een deel. In het gebied tussen de plantages en het gebied waar de bosnegers woonden, bleven kleine groepjes marrons bestaan, bij wie zich ook telkens weer nieuwe weglopers aansloten.

Na 1760 werden de Boni's, een groep van hoogstens zeshonderd mensen, de meest gevreesde marrons. Ze waren genoemd naar hun bekendste leider Boni. Deze kleine groep bestond slechts uit honderdvijftig weerbare mannen die samen over vijftig geweren beschikten. Ondanks het kleine aantal zorgden ze ervoor dat veel plantages niet meer veilig waren doordat ze heel handig waren in het voeren van een guerrillaoorlog. Daarom werd er in 1772 'Neger Vrijkorps' opgericht om de Boni's uit te roeien. Dit korps bestond uit zo'n driehonderd slaven, die na hun dienstijd de vrijheid en een eigen stukje grond kregen. Deze soldaten werden 'Redi moesoes' genoemd (letterlijk 'roodmutsen', omdat ze rode mutsen moesten dragen).


Ter oriëntatie hier een afbeelding van de drie Guyana's Links is voormalig Brits-Guyana het midden is Suriname en rechts is Frans-Guyana.

Het Neger Vrijkorps probeerde de Boni's voortdurend op te jagen en hun dorpen te verwoesten. Deze tactiek had succes. Militaire expedities wisten de Boni's uit het westen van Suriname te verdrijven zodat zij uiteindelijk naar Frans-Guyana vluchtten. Ook de leider Boni werd vermoord. Tegenwoordig leven de Boni's in het grensgebied tussen Suriname en Frans-Guyana en zijn ze geen vijanden meer van andere Surinamers.

De huidige bosnegers
Nog steeds merk je in Suriname een sterke scheiding tussen creolen en marrons. Voor Nederlanders zien we qua etniciteit geen grote verschillen, maar voor Surinamers zijn het wezenlijk verschillende bevolkingsgroepen.
De toekomst van de traditionele bosnegerdorpen is niet rooskleurig. De huidige bosnegers hebben niet alleen producten nodig als zout, suiker, textiel maar ook horloges, radio's, naaimachines en buitenboordmotoren. Om deze producten te kunnen kopen moet er geld verdiend worden, maar omdat in de dorpen zelf vrijwel geen geld te verdienen is trekken steeds meer jonge bosnegers naar Paramaribo om daar werk te zoeken. Het gevolg hiervan is dat veel bosnegerdorpen ontvolken, vergrijzen en dreigen te verdwijnen.
Toch blijft men marrons die in de stad wonen nog steeds marron of bosneger noemen.


Moderne marrons op weg naar de stad voor studie of werk

klik hier voor informatie over de marroncultuur

Terug